zaterdag 7 maart 2015

Een vlucht regenwulpen



Samenvatting:

Maarten weet al vanaf de kleuterklas wat hij wil worden: bioloog. Zijn vader is tuinder en staat erop dat als Maarten klaar is met school hij de onderneming van zijn vader overneemt. Maarten weigert dit en staat erop dat hij na zijn school een studie mag gaan doen. De vader van Maarten is helemaal niet blij met Maarten zijn keuze voor een studie. Het gezin van Maarten is streng gelovig waardoor ze een wetenschappelijke studie als biologie eigenlijk helemaal niet zien zitten.

Maarten groeit op in een dorpje waar verder weinig andere mensen zijn. Van zijn verleden voor zijn basisschoolperiode weet hij bijna niks meer. Het enige wat hij weet is dat hij zijn amandelen moest laten knippen op het dorpsplein. Hij was nog nooit op het plein geweest en wist niet eens wat een plein was en zijn eerste ervaring met het plein was dan ook een slechte ervaring.

Al vanaf de kleuterklas leidt Maarten een eenzaam leven. Het liefste is hij alleen bezig met zijn eigen zaken en heeft hij het liefste dat anderen niet met hem bemoeien. Zijn hele basisschoolperiode brengt hij dan ook praktisch eenzaam door.

Als hij naar de middelbare school gaat verandert er nog niet erg veel in zijn leven aangezien hij nog net zo eenzaam is als eerst. Toch verandert er één klein ding: Maarten wordt verliefd op zijn klasgenoot Martha. In zijn ogen is Martha een onbereikbaar meisje met wie hij toch nauwelijks contact kan leggen, dus hij houdt haar zoveel mogelijk op afstand. Ondanks de afstand fantaseert Maarten wel regelmatig over haar en ziet hij al een leven met haar voor zich.

Na zijn middelbare school gaat hij biologie studeren met de richting celbiologie. Zijn vader is dan nog in leven, maar vlak na zijn toelatingsexamen overlijdt zijn vader. De vader van Maarten is nog steeds niet blij met de studiekeuze en geeft Maarten het gevoel dat hij zijn studie toch niet gaat halen. Aangezien Maarten helemaal klaar is met de kerk en het grote onzin vindt, besluit hij om toch zijn studie biologie te gaan doen. Vervolgens gaat Maarten bij zijn moeder wonen die vervolgens ook weer overlijdt aan keelkanker. Vanaf dan is Maarten wees en staat hij er alleen voor. De enige personen die hij nog in zijn leven had zijn gestorven waardoor Maarten zich alleen maar eenzamer gaat voelen.

Maarten blijft nog een lange tijd met de dood van zijn ouders zitten en krijgt zelfs een dwanggedachte over de dood. Een gedachte vertelt hem dat hij nog maar twee weken te leven heeft. Maarten probeert er in die laatste weken nog alles in te halen wat er in zit en probeert zoveel mogelijk leuke dingen te doen.

Om afleiding te zoeken besluit hij om naar zijn laboratorium te gaan. Hier wil hij uitzoeken of hij een kloon van mensen kan maken. Voor Maarten is het een teken van strijd: Maarten is helemaal klaar met het geloof en de kerk en wil iets doen wat tegen de gewoontes van de kerk is. Hij staat er dus op om van één klein celletje een heel mens te kunnen kloneren.

In die twee weken wordt Maarten ook uitgenodigd op een congres in Bern. Hij besluit naar Zwitserland te vertrekken en bij zijn collega’s Ernst en Adriana in te trekken. Hij heeft het erg naar zijn in in Bern, totdat Ernst en Adriana besluiten om een wandeltocht door de bergen te maken. Tijdens deze wandeltocht valt Maarten en zit hij naar zijn idee op de rand van de dood. Met veel bloedingen weet hij er uiteindelijk goed vanaf te komen.

Tijdens een schoolreünie voordat hij naar Zwitserland vertrok heeft Maarten nog de zus van Martha ontmoet. Hij vond de zus van Martha onwijs veel op Martha lijken en dacht eerst dat het Martha zelf was. Omdat Martha nog steeds zijn grote liefde is, hoopte hij via contact met de zus van Martha uiteindelijk met Martha contact te krijgen. Maarten had dan nog ook een afspraak met de zus van Martha staan. Via een ansichtkaart laat hij de zus van Martha weten dat hij de afspraak af wil zeggen.
Die nacht heeft Maarten koorts en droomt hij in zijn koortsbui over Martha. Hij ziet Martha voor zich en wordt er helemaal blij van. Tijdens die droom besluit Maarten dat hij niet meer moet proberen om zijn isolement te doorbreken en gewoon te doen wat hij wil doen: zijn isolement voortzetten en alleen voortleven. Dit houdt in dat hij verder alleen zal leven met weinig contact met anderen.

Titelverklaring:

Maarten zijn moeder is ziek en heeft niet lang meer te leven. Net voordat zijn moeder zal overleden, ziet hij een vlucht regenwulpen voorbij vliegen. Regenwulpen zijn vogels die erg zeldzaam zijn. Omdat Maarten zo gek op de natuur is, is hij ook erg gefascineerd door de vogels die hij op dat moment ziet.

Schrijver:

Maarten het Hart werd geboren op 25 november 1944. Hij is gedragspsycholoog en schrijver en studeerde aan de rijksuniversiteit Leiden. Hij heeft enorm veel boeken geschreven waaronder Een vlucht regenwulpen. In 1991 kwam hij bij het boekenbal uit als travestiet en sinds 2004 is hij verkiesbaar bij de partij van de dieren voor de Europese verkiezingen.

Schrijfstijl:

De schrijfstijl van Maarten 't Hart is niet in één zin te omschrijven. Hij weet emoties en ruimtes met heel veel details op een hele mooie manier te omschrijven. Voor deze details zijn wel hele lange zinnen nodig, waar je tegen moet kunnen tijdens het lezen. Het is belangrijk om je aandacht bij het verhaal te houden omdat je anders verdwaalt in de lange zinnen die hij weet te schrijven. Ondanks de enorm lange zinnen, weet Maarten 't Hart zijn teksten wel zo te schrijven dat je gefascineerd door blijft lezen met het verhaal.
Er zijn dus heel veel details in dit verhaal gebruikt die zorgen voor leesvertraging. Over één moment kan een lang stuk tekst geschreven zijn waardoor je op een moment even vast blijft zitten in het verhaal en het moment langer duurt dan het werkelijk zou duren. Dit geeft wel echt vorm aan het verhaal, waardoor de hoeveelheid details niet storend zijn om te lezen.

Toch is de spanning in dit verhaal ver te zoeken. Er is nauwelijks gebruik gemaakt van een spanningsboog, waardoor het verhaal niet als spannend te benoemen is. Je moet ook van de motieven (voornamelijk de natuur en biologie) houden om door dit boek heen te kunnen komen.

Recensies:

-Recensieweb.nl
Maarten ´t Harts roman Een vlucht regenwulpen is in zijn achtenvijftigste druk, is verfilmd en ligt te koop bij elke supermarkt. Het mocht met recht een lacune in mijn algemene ontwikkeling heten dat ik de moderne klassieker nog niet had gelezen, en dat was vooral opmerkelijk omdat ik ander werk van ´t Hart altijd met veel plezier heb gelezen. Zo heeftDe jakobsladder, het prachtige verhaal over een kerkscheuring en de ondergang van een gezin met een zeer orthodoxe vader, mij letterlijk tot tranen geroerd. Optimistisch over al het moois wat me te wachten zou staan, begon ik aan Een vlucht regenwulpen. Het bleek niet helemaal wat ik ervan had gehoopt.
Het verhaal is bekend. Van jongs af aan heeft de hoofdfiguur, de gereformeerd opgevoede Maarten, moeite met het maken van vrienden, terwijl het vinden van een vriendin helemaal moeizaam is, hoewel hij verliefd is op een meisje Martha. Hij ontwikkelt zich tot een briljant bioloog die erin slaagt primitieve levensvormen in het lab te doen ontstaan; dat levert de sociaal nog altijd niet al te handige geleerde internationale erkenning op, en een uitnodiging voor een congres over weefselkweek in de Zwitserse stad Bern. Helaas kan hij de dwanggedachte niet van zich afzetten dat hij nog maar twee weken te leven heeft, en het lijkt er inderdaad even op dat hij zal sterven, als hij tijdens een bergwandeling een flinke valpartij maakt, net nadat hij heeft vastgesteld dat een vrouwelijke collega die hij aantrekkelijk vindt meer geïnteresseerd is in een andere beroepsgenoot. In de daarop volgende nacht heeft Maarten een heftige koortsdroom, waarin hij zijn angsten van zich aflegt – of sterft, dat wordt niet duidelijk.
Hoewel het boek is gepubliceerd in 1978, is het geschreven in het voorjaar en de zomer van 1971. Daarmee is het in feite een jeugdwerk van ´t Hart, maar alle vertrouwde thema’s zijn er al in aanwezig: liefde, natuur, wetenschap, dood en muziek spelen een belangrijke rol, en de hoofdrolspeler lijkt tot in de kleinste details op de helden van latere romans. Zo beschikt Maarten, net als de hoofdrolspeler van De jacobsladder, over enorme kracht. Een vlucht regenwulpen bevat ook prachtige lange beschrijvingen van verliefdheid en weet fenomenaal Maartens onvermogen op te roepen om ongeforceerd contact te maken met iemand van het andere geslacht. En het is vooral vlot geschreven, met een paar geweldige zinnen als ‘De kinderteelt vind toch voornamelijk plaats in flatgebouwen waarin jonge echtparen meestal hoog boven de grond wonen’.
Maar de roman is niet ´t Harts beste werk. Vaak ligt het er allemaal wat te dik bovenop. Zo loopt Maartens angst voor de seksualiteit wel erg opvallend parallel aan zijn successen als celbioloog: iemand die langs geslachtelijke weg geen kinderen zal verwekken, weet in de reageerbuis wél leven tot stand te brengen. Maartens seksuele frustratie wordt geïllustreerd door nog andere weinig verrassende verwijzingen naar steriele vormen van erotiek: er is een verwijzing naar het Oidipouscomplex als de heel jonge Maarten met zijn moeder vader-en-moedertje wil spelen; en alweer wat ouder belandt hij in de rol van voyeur.
Dit laatste wordt ingeleid met een citaat van Simon Vestdijk, bij wie voyeurisme een vaak terugkomend motief is. Dat is niet de enige keer dat de schaduw van de duivelskunstenaar valt over Een vlucht regenwulpen: een boek van Vestdijk uit de schoolbibliotheek speelt bijvoorbeeld ook een rol. Opvallend zijn de parallellen met Terug tot Ina Damman, Vestdijks beroemde verhaal over een jeugdliefde van de sensitieve Anton Wachter. Die wordt door zijn medescholieren gepest met het woord ‘vent’, waarmee hij door zijn vader wordt aangesproken; op soortgelijke wijze wordt de jonge Maarten uitgescholden met ‘generaal’ als een onderwijzer – een soort vaderfiguur – hem zo pleegt te noemen. Elders zegt Maarten: ‘Ik wist nu ook wat ik voor Martha had gevoeld; ook dat was een soort heimwee geweest, een heimwee zonder de mogelijkheid van thuiskomst.’ De gedachte, de toon en het ritme doen enigszins denken aan de beroemde slotzin van Vestdijks Terug tot Ina Damman, dat hij ´trouw zou blijven aan iets dat hij verloren had, – aan iets dat hij nooit had bezeten’. Het is vanzelfsprekend nooit verkeerd de grootmeester na te volgen, maar dit is iets te veel.
Sommige scènes zijn ook wat te expliciet. Een voorbeeld is het bezoek aan de dokter die bij de kleine Maarten de amandelen verwijdert. Zijn moeder heeft hem vooraf niet gezegd wat er gebeuren gaat, en het is de lezer wel duidelijk dat het kind zich in de steek gelaten voelt. De daarop volgende passage, waarin Maarten opsomt hoe voorbeeldig hij zich heeft gedragen en dat het oneerlijk was dat zijn moeder toeliet dat hij met een gloeiende tang werd bestraft, is volkomen overbodig.
Dit alles wil niet zeggen dat het een slecht boek is, maar wel dat ´t Hart, toen hij in 1971 Een vlucht regenwulpen schreef, nog niet de schrijver was die hij zou worden. De latere ´t Hart komt los van Vestdijk en durft meer impliciet te laten, erop vertrouwend dat hij zaken voldoende kan suggereren. Als Een vlucht regenwulpen onmiddellijk zou zijn uitgegeven en niet pas zeven jaar later, zou het zijn aangeduid als een ‘veelbelovend debuut’. Er zou nog veel moois volgen.

-Tzum.info
De wil om te leven
Maarten is deskundige op het gebied van de weefselkweek. Een vakgebied met toekomst. Het zal niet lang meer duren of de menselijke soort zal zich klonend in stand kunnen houden. Het is ook een vakgebied dat uitstekend past bij de persoon Maarten: tot dan toe leeft hij solitair en een natuurlijk manier van voortplanting zit er niet. Zijn enige grote liefde, Martha is getrouwd met een ander, en zo blijft alleen het verlangen naar haar over. Een vriendin of vrouw krijgen lukt hem niet. Als hij, eenmaal gevierd wetenschapper geworden, in Zwitserland een substituut zoekt voor zijn enige liefde en een prostituee wil meenemen die op Martha lijkt krijgt hij de kous op z’n kop. Zelfs de hoeren wijzen hem af.
Een vlucht regenwulpen, dit jaar het campagneboek van Nederland Leest is een boek waarin de begrippen isolement en eenzaamheid, het woord wordt een paar keer nadrukkelijk genoemd, in allerlei lagen van het boek van belang zijn. Het isolement begint al letterlijk omdat Maarten, enig kind, met zijn moeder en zijn vader, die een tuinderij heeft, afgelegen wonen. Hij heeft geen kinderen om mee te spelen. Hij brengt zijn dagen door in gezelschap van vogels. Een start in het leven met fatale gevolgen op liefdesgebied.
Als Maarten naar Zwitserland rijdt voor een congres, voert hij een denkbeeldig gesprek met Jakob. Wat deze vriend aan Maarten vertelt, is dus in wezen een zelfanalyse op wetenschappelijke gronden.
Je hebt, al zit je dan niet in het vak zoals ik, ook gehoord over dierproeven met aapjes die ze, helemaal alleen, bij kunstmoeders groot laten worden. Die kunnen later geen contact maken met anderen, geen seksuele relatie aangaan. Hebben ze wel een echte moeder maar geen speelmakkertjes dan wordt het later ook grote ellende. Spelgedrag is net zo belangrijk voor jonge zoogdieren als goede voeding. Jij bent als jong zoogdier helemaal op je eentje groot geworden, geen broers of zusters, geen vriendjes, niks. Daardoor ben je net zo contactgestoord als die aapjes, je kunt geen relaties maken.
Maarten is zich al op jonge leeftijd bewust van zijn solitaire gedrag. Op school neemt hij de werkelijkheid het liefst waar achter glas. Liever kijkt hij naar spelende kinderen op het plein, dan mee te doen met het spel.
Maar omdat ik kijk kan ik er niet spelen. Als ik ‘s morgens over het plein loop, verdubbel ik mijzelf: ik ben immers altijd aanwezig achter de ramen vanwaar ik het plein overzie, ik kan niet op het plein lopen, dan ben ik mijzelf niet, dan loopt er een ander.
Die angst voor een plein blijkt al als hij voor het eerst de vertrouwde omgeving verlaat en met zijn moeder naar de dokter in het dorp gaat om zijn amandelen te laten knippen. Een groot leeg plein waar de schaduw van de kerktoren overheen valt beangstigd hem zo dat hij om die schaduw wil heen lopen. Ik heb daar wel eens een Freudiaanse verklaring over gehoord, maar je zou er ook een eerste weerzin tegen de kerk in kunnen zien. Het pijnlijke knippen van de amandelen is meteen het eerste verraad van de moeder. Zij was er toch om hem te beschermen? Waarom heeft ze dit toegelaten. Het is een voorbode van het verraad van God als de moeder van Maarten keelkanker krijgt en een lijdensweg aflegt voordat ze sterft. Het onrecht dat hij daarover voelt, bevestigt nog een keer zijn ongeloof: een rechtvaardige God had dat niet toegestaan.
Er zit een mooi klassiek uitgewerkt Oedipuscomplex verscholen in Een vlucht regenwulpen. De liefde die hij voelt voor zijn moeder, in een mooie scène waarin ze haar haar borstelt wordt dat nog eens onderstreept, vindt zijn tegenhanger in de relatie met zijn vader. De confrontatie komt naar aanleiding van een geloofskwestie, Maarten wil, om Martha te zien, naar een andere kerk gaan. Op de fiets nog wel. Vader wordt woedend, maar dan worden de rollen omgedraaid.
Hij wilde me slaan maar ik omklemde zijn handen en deed zijn armen omlaag. Zijn gezicht werd donkerrood, hij worstelde om zich te bevrijden uit mijn greep maar al zijn moeite was vergeefs.
Maarten ‘t Hart verweeft de verschillende lijnen over geloof liefde en isolement op een uitstekende manier en het is in retrospectief volstrekt onduidelijk waarom het manuscript van dit boek zeven jaar lang in de la heeft gelegen. De roman wordt ook niet, zoals zijn latere werk, ontsierd door nogal oubollige zinnen. Stilistisch is ‘t Hart in zijn beginjaren op zijn best.
Het boek eindigt met een louterende val van een berg. Als hij, slechts lichtgewond vele meters lager ligt, constateert Maarten opgelucht dat hij niet bang is geweest en dat hij tijdens de val de wil voelde om te overleven. De angst dat hij binnenkort zou overlijden, is niet bewaarheid en er komt een glimp terug van het geloof van zijn moeder. ‘Hier had ik ook bloedend kunnen liggen denk ik. Hij heeft wel toegelaten dat mijn voet wankelde, maar nu doet Hij me dan toch nederliggen in grazige weiden.’ Op de terugweg krijgt hij een openbaring. Nog eenmaal een lang citaat:
Als ik rustig voortloop over de vlakte – het zou een plein kunnen zijn, een groot plein dat niet beangstigend is, en de Oberberghorn zou een toren kunnen zijn, die nu eenmaal als een vinger Gods aan een plein hoort te staan, hoog en schrikwekkend […], is het of ik al mijn angsten en frustraties, al dat onheilspellende gejammer over mijzelf waarover ik niet met anderen praten kan omdat niemand het begrijpt, omdat ze altijd andere problemen hebben, echte problemen zoals huwelijksmoeilijkheden waaruit soms een echtscheiding voortkomt, maar geen pleinvrees, geen dwanggedachten, geen dromen van nooit werkelijkheid wordende liefde, achter mij heb gelaten en of ik daarvoor het besef heb teruggekregen dat ik tenminste iets begrijp van het leven, dat ik het voel tintelen in mijn vingertoppen, dat het een droom is, een verlangen, even immaterieel als het rood van de toppen, even vluchtig als de muziek van Schubert, ongrijpbaar maar echter dan de werkelijkheid.
Misschien is een van de succesfactoren van het boek wel dat de hoofdpersoon, ondanks de voortdurende vrees dat hij snel zou overlijden, ondanks de gedachte aan zelfmoord, als het erop aankomt, het leven toch omarmt.

Mijn recensie:

Een erg mooi boek dat gaat over een jongen met veel fantasie en intresse. Ik kon mezelf er erg goed in vinden.

donderdag 5 maart 2015

Titaantjes



Samenvatting:

Het verhaal gaat over de Titaantjes; Koekebakker, Bekker, Hoyer, Bavink en Ploeger. Ze zijn vaak samen en denken na over het leven, over de rol van God. Ze houden van natuur en vinden de dingen die de meeste mensen als normaal beschouwen, zoals het opgaan van de zon interessant. Waarom gaat de zon dan op, het is ook zo vreemd, de zon is altijd hetzelfde, maar iedere keer anders. Later komen ze tot de conclusie dat het eigenlijk maar saai is, iedere keer herhaalt God hetzelfde, de zon gaat op, de zon valt. De vrienden kunnen zich erg ergeren aan de hogere heren. Het vijftal was altijd van mening, dat de rijke heren, de hoge pieten altijd maar dachten dat ze geslaagd waren in het leven. Maar eigenlijk waren ze dat niet. Ze waren dan wel altijd de baas over de dagindeling van hun werknemers, maar eigenlijk was God de baas. Zoveel betekende die heren nou ook weer niet en als ze niet eens stilstonden bij mooie gedichten of de zon, was je leven dan wel zo geslaagd? Uiteindelijk na al het fantaseren in de natuur, gaat ieder zijn eigen weg. Koekebakker zoekt aan het einde van het verhaal zijn vrienden nog een keer op om te kijken wat er van ze geworden is. Wat er van ze geworden is, zie hoofdpersonen. De vrienden hebben in ieder geval wel afgeleerd om te verlangen naar God. Want uiteindelijk verlang je naar iets, wat er niet is. Je gaat over tot de orde van de dag en het wereldje draait weer verder, dag in, dag uit.

Schrijver:
Nescio is geboren 22 juni 1882 en gestorven op 25 juli 1951 in Amsterdam. Zijn echte naam was Jan Hendrik Frederik Grönloh.

Nescio schreef voornamelijk verhalen. Zijn talent werd niet meteen gewaardeerd. Zo werd het verhaal De uitvreter in 1910 door het tijdschrift Nederland teruggestuurd. In september 1910 stuurde Nescio een uitgebreide versie naar het literaire tijdschrift De Gids. Dit tijdschrift publiceerde het verhaal in januari 1911. Zijn eerste boek, waarin de drie verhalen Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes zijn opgenomen, verscheen in 1918 bij de kunsthandelaar J.H. de Bois, uitgever van de "Haarlemsche kunstboekjes".

Recensies:

-Recesieweb.nl
Er is niets controversieels aan het lezen van Nescio in Amsterdam, niet als Lolita in Teheran. J.H.F. Grönloh was Amsterdammer (‘Goddank’) en zijn romans De Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje (1911, 1915, 1918) hebben iets onschuldigs. Ze stralen een weldadige weemoed uit, een melancholie die je projecteert op de tijd dat deze boeken spelen. Het is een soort oneindige studententijd, met net genoeg te eten (de twee ons boterhammenworst die Koekebakker in De Uitvreter voor morgen bewaarde, was ‘een rijkdom die ik sedert mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden’), nachtelijk rondzwerven door stad en land en ellenlange discussies over God en het socialisme. De sobere, spreektaal benaderende stijl, met archaïsmen en verkleinwoorden als in de boekjes die je op de basisschool las sterkt je in die indruk. Als Japi, de uitvreter, Koekebakkers worst ontdekt: ‘“Kerel,” zei i, “weet je dat je worst in huis hebt?” Of ik ’t wist.’
Hoe zat het ook alweer? Je hoeft de beginzinnen maar te citeren voor herkenning. ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ De Uitvreter, dat is Japi, een vrolijke nietsnut die geïntroduceerd wordt in de kleine vriendenkring die ook in Titaantjes zal terugkomen. Hij leent je editie van Balzac, eet je worst op, ‘een ordinair volksvoedsel’, en drinkt op je kosten. Hij zwerft wat rond, geniet, doet twaalf ambachten, krijgt een vriendin, maar wordt er niet vrolijker op. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord, stapt hij van de Waalbrug.
‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’ Titaantjes, hemelbestormers waren het, deze jongens, ze werden volwassen, en Koekebakker doet hun verhaal. Van de ‘heele zomernachten’ dat ze ‘tegen ’t hek van ’t Oosterpark stonden te leunen en honderd uit te boomen’. Van lange wandelingen, van discussies waarin niets heel gelaten werd. Zola, ja, Jaap Maris, ja. Ze lazen Dante, Prediker, ’t Hooglied. Ze droomden van een kunstenaarskolonie. En toen kwamen de baantjes, de gezinnen, het verblijf in het buitenland. En Bavink, de schilder, wordt dus mal, snijdt zijn gezicht op Rhenen, zijn magnum opus, in stukken, en belandt in een gesticht. ‘En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft maar, ontvangt z’n schamel loon en geeft geen ergernis.’
Bij Nescio is het kleine aanleiding tot genoegen, de maaltijd, de wandeling, het gesprek over boeken, en grootse ambities worden gerelativeerd in een sobere stijl. En er mag gelachen worden, ook om fatsoenlijke lui en om God. Dat, en de weemoedige afstand waarvan zijn werk doortrokken is, dat wordt nog eens zwaar ingezet bij Dichtertje. Wel is het het de meest tragische van het drietal.
‘Een groot dichter zijn en dan te vallen’ is niet de beginzin van Dichtertje, maar het vat de plot ervan goed samen. Het dichtertje wordt verliefd, hij trouwt, en dan komt er een dichteresje in zijn leven. Het zusje van zijn vrouw, Dora, wordt verliefd op de oudere, getrouwde dichter, de spanning stijgt traag, en dan komt de ontknoping, als zij bij hem aanklopt:
‘“Ee, wat doe je?” Hij zat heel stil op den rand van ’t bed tusschen zijn knieën door naar ’t kleed te staren. Hij stond op: “Dora.” In dat eene woord was alles en ze hoorde ‘t.
Toen vielen ze samen peilloos diep door ’t licht en ze voelden hun lijven als zingende zonnen.’
Het loopt uiteindelijk niet goed af met het dichtertje; ook hij draait door.
Het is geen glorieuze score: twee gekken en een zelfmoord. Welke weldaad? Hoezo weemoed? Nescio was controversieel, zijn verhalen schenen te ‘choqueren; ze gooien alle conventie over boord en lachen met wat voor velen heilig is’. Dat kun je je in deze tijden niet meer voorstellen. Maar het staat er wel, er is ellende.
Misschien maakt de tragedie de komedie draaglijker, ik weet het niet, misschien is dat wel de kwaliteit van Nescio, dat hij niet terugdeinst voor de lach en de traan, maar het met zijn sobere stijl meteen weer relativeert, een weemoedige, niet-oordelende afstand creëert. Dat is uniek in de Nederlandse literatuur, maar hij had het niet van een vreemde. ‘Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is.’ En in het eerste hoofdstuk van het bijbelboek: ‘Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon? Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid. Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.’ Nescio las Prediker, wij lezen Nescio.

-NRC
AANRADER: De uitvreter (1911) / Titaantjes (1915) / Dichtertje (1918)
Steevast verzameld in één bundel (meestal met de verwante fragmentenverzameling Mene Tekel, 1935), behoren deze drie novellen tot het mooiste dat de Nederlandse literatuur te bieden heeft. Dat mag al blijken uit de openingszinnen. Zo begint De uitvreter, het verhaal van de non-conformist Japi en zijn kunstenaarsvrienden Bavink en Koekebakker, met de gedenkwaardige mededeling 'Behalve de man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan de uitvreter'; terwijl Titaantjes, over vijf wereldverbeteraars die eindigen als burgermannen, inzet met de veelgeciteerde uitspraak 'Jongens waren we -- maar aardige jongens.' De tragisch-ironische kunstenaarsbiografie Dichtertje bewaart de mooiste zinnen dan weer voor het begin van hoofdstuk III: 'Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als je een dichtertje bent, dan lopen de mooiste meisjes altijd aan de overkant van de gracht.' Het oeuvre van Nescio is een schatkamer vol prozaparels en -juwelen, maar het is meer dan dat. De uitvreter is zowel een melancholieke afrekening met het ongebonden leven als een ode aan de natuur, van het Veerse Meer tot de Nijmeegse Waalbrug; Titaantjes en Dichtertje zijn te lezen als nostalgische analyses van jeugdig idealisme én als een zoektocht naar God en het doel van het leven. Overigens zijn ook de slotzinnen van Nescio niet mis. Wat te denken van: 'Zij die God werkelijk lief heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde' (Dichtertje)? Of, nog mooier, de wijze les aan het eind van Titaantjes? 'En zo gaat alles z'n gangetje, en wee hem die vraagt: ''Waarom?'''

Mijn recensie:

Een mooi boek dat gaat over mensen die goed met elkaar kunnen opschieten en met elkaar praten over de simpele dingen uit het leven. Ook gaat het over de idealen van ze en wat er allemaal van terecht komt. Het zijn eigenlijk best simpele mensen en zo heeft Nescio het ook bedoeld. Een mooi boek waarvan ik heb kunnen genieten ook al was het niet echt een boek dat ik uit mezelf zou gaan lezen.

zondag 25 mei 2014

De zwarte man met het witte hart

Samenvatting:

In 1900 woont Raden Aquasi, een prins, op Java en hij kijkt terug naar zijn verleden. Kwasi en Kwame waren prinsen van het Ashantese rijk en leefde daar tot de koning van Ashanti de Nederlanders aanbood om hun op te voeden zodat zij de band tussen de twee landen konden verbeteren. De twee jongens reizen af naar Nederland waren ze studie krijgen aangeboden op een kostschool in Delft. Quame gaat na de schooling in het leger en pleegt zelfmoord. En Aquasi vertrek naar Java waar hij ongellukig leeft. De Nederlander die ze meenam uit Afrika heeft spijt van zijn besluit.

Kaft:




Dit zijn de voor- en achterkant door mijzelf ontworpen. Ik hoop dat het mooi was want het kostte behoorlijk veel moeite om het erop te krijgen.

Uitleg over de stijl:

Het boek word verteld vanuit het perspectief van Aquasi (Kwasi). Het is alsof hij als de oude man die hij is in 1900 het verhaal aan jou verteld. Een soort alwetende verteller dus. Hij geeft wel vaak punten uit het perspectief dat hij op dat moment heeft gezien. Het verhaal speelt zich daarom ook altijd rond hem af. Hij is er altijd deel van of kijkt ernaar. Soms zijn er dan tussen het verhaal door ook momenten dat hij als een oude man op java leeft en dit moet de tegenwoordige tijd voorstellen terwijl de rest zijn herrineringen zijn. Het verhaal speelt zich dus af rondom Kwasi, gaat om Kwasi en word verteld door Kwasi. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld de dingen die gebeuren op de kostschool. Hij leert hier boksen en krijgt hier kritiek op van Kwame. Ik vind het op zich wel wat hebben omdat het je echt kan meetrekken in het verhaal.

Mail/Brief aan hoofdpersoon:

Beste Kwasi,

Ik heb jou verhaal gevolgd en met je meegeleefd. Het heeft natuurlijk wel een aantal vragen bij mij naar boven gebracht. Waarom pleegde Kwame zelfmoord? En waarom liet u Cornelius niet meerijden in de koets van Van Drunen? U het toch kunnen aandringen bij Van Drunen om hem toch mee te kunnen nemen? Is dit niet waarom hij u later niet wilde promoveren op Java? Dit zijn terecht vragen die toch bij mij zijn blijven hangen na het te weten komen van uw levensverhaal. Maar dan is er nog een belangrijke vraag. Hoe kon u het volhouden? Het gedrag van Verheeck. Dat u telkens ''Ik ben een vieze vuile zwartjakker'' tegenover u klasgenoten moest zeggen. Het feit dat mensen u bleven nakijken. Zelfs de mensen die zichzelf schminkten als zwarte piet keken u raar aan, terwijl zij met al die make-up op hun gezicht zaten. Het maakt toch allemaal niet uit. ''Kleur krijg je niet zelf, maar van anderen.''. Goed gezegd.




donderdag 13 maart 2014

Redder van Afrika

De Auteur

De auteur van het boek ''De redder van Afrika is Guus Kuijer. Ik had niet echt verwachtingen van zijn schijfkunsten, want ik kende hem en zijn boeken tot kort geleden nog niet. Ja ze zijn wel uitgekomen omdat het boek beter was dan ik had verwacht. Ik vond het namelijk een goed bedacht plot en vond het leuk om te blijven lezen.

Guus Kuijer is twee keer blijven zitten tijdens zijn opleidingen. Hierdoor kwam hij in een internaat terecht en dit zou bekend worden als de meest verschrikkelijke tijd van zijn leven. Hij heeft daarna een opleiding gedaan tot leraar. Van 1967 tot 1973 was hij leraar. In deze tijd heeft hij twee boeken geschreven. Het boek ''Rose, met vrome wimpers'' en het boek ''Het dochtertje van de wasvrouw.''. Na 1973 is hij compleet overgegaan tot het schrijven van boeken. In 1975 schreef hij zijn eerste kinderboek.
Voor meer informatie over Guus Kuijer kun je natuurlijk kijken op zijn Wikipedia pagina:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Guus_Kuijer

Ik weet niet precies wat het verband is tussen Guus en het boek ''De redder van Afrika''. Misschien was het een groot geschiedenis liefhebber, of vol van fantasie of een van de andere redenen waarom je een boek zou schrijven. Je hebt een idee bedacht op een bepaalde manier en dat ga je uitwerken.

Een verband wat ik zie tussen Guus en Jacobus Capitein is de slordige opleiding. Jacobus deed een opleiding waarbij hij op een begeven moment de slavernij moest beschermen. Dit moet een verschrikking misschien zijn geweest en dit zorgde misschien voor het latere Dilemma waarbij hij niet meer zeker was of hij bij de Nederlanders of bij de Afrikaners hoorde. Guus zelf had ook problemen met zijn opleiding, hij was namelijk twee keer blijven zitten waardoor hij naar een internaat moest.

Thematiek

In het boek komen niet echt actuele onderwerpen aan het bod. Een moreel dilemma is er wel en dat is dat van de slavernij. Jacobus die een slaaf is moet toegeven dat hij voor de slavernij is en dat ook al worden slaven bekeerd dat ze dan nog niet vrij zijn. Slavernij was vroeger natuurlijk een grote politieke kwestie die pas later in de 19de eeuw werd afgerond.

Slavernij kan natuurlijk echt niet. Ieder mens heeft volgens mij het recht om over zijn eigen bestaan te kunnen beslissen zonder dat daar hulp van anderen bij nodig is. Ik ben gewoon net zoals de meeste mensen fel tegen slavernij omdat het tegen de kenmerken van vrijheid in gaat. Ook vind ik dat er slecht met ze word om gegaan en dat hun rechten ernstig worden beperkt. Dat gebeurt natuurlijk nog steeds wel is, maar vaak alleen in het illegale circuit. De mensen kunnen niet uit de slavernij ontsnappen, omdat ze als eigendom werden gezien en niet als persoon die je in dienst neemt. Er zijn gewoon te veel argumenten te noemen waarom et slecht is. Ik ben dus blij dat we inmiddels in een tijdperk leven waar de meeste brute en gestoorde ideeën van de mensen niet of bijna niet meer voorkomen.

Stijl

Het boek is geschreven in brief vorm. Alles speelt zich af in de gedachten van Jacobus en het lijkt wel alsof het later door hem zelf is opgeschreven. Wat hij ziet en doet is dus ook waar het verhaal zich afspeelt in de verleden tijd. Het is een mooie en goede stijl omdat je je hiermee goed kunt inleven in de rol van de hoofdpersoon en de schrijver je makkelijk een mening kan meegeven over bepaalde personages.

Fantasie en creativiteit

Het is heel moeilijk om suggesties te geven voor een boek dat je eigenlijk al heel leuk vind. De loop en de lengte van het verhaal waren goed genoeg om het te begrijpen en niet te lang. er was wel de nodige achtergrond informatie, maar dit had wel wat beter gedaan kunnen worden. Ook vond ik het moeilijk om te begrijpen dat een Afrikaanse jongen dan zo gaat denken over zijn eigen volk alsof hij een van de Europeanen is.

Herschreven einde

Hij keek de mannen woedend aan en liep uit het kasteel. Hij liep richting het strand. ''Mijn woede was groter dan ooit. Mijn dilemma was te ernstig voor mij. Hoe kan ik zo nog gelukkig leven. Ik had voor mijn gevoel geen keuze meer. Ik liep vanaf het strand de zee in en was van plan om niet meer terug te komen.'' Ik was zo verdrietig over hoe het allemaal was gegaan. Ik was niet meer de persoon die ik was bij mijn geboorte. De golven kwamen al tegen mijn buik. Het werd steeds dieper en ik kon al gauw niet meer staan. ik zag grote schaduwen in het water, maar wat het was zag ik niet. De golven sloegen in mijn gezicht en ik hapte per ongeluk een mond vol zout water binnen en probeerde het uit te spugen. Alles werd wat waziger en ik kon mezelf niet meer boven houden. Achter mij hoorde ik geschreeuw. Een klein bootje met een licht aan. Ze haalde me binnen en probeerde mij wakker te houden. Ik deed mijn ogen open. ''Gaat alles goed?''. ''Natuurlijk'' zei ik zonder te aarzelen. De man die duidelijk Hollands was keek me aan. Je bent een neger, maar voor een neger wel je wel erg op een Hollander. Dit was iets dat ik nog nooit had gehoord. Hij zag mijn dus als een gelijke zelfs al was ik zwart. Ik glimlachte naar hem. Er kwam op dat moment een enorme golf tegen de boot en de man viel eruit. De haaien zwommen om de boot en zagen er angstaanjagend uit. ''Ik kan nu bewijzen dat ook al ben ik zwart een liefhebbend mens ben''. Ik sprong overboord. De man kon nauwelijks zwemmen. ik pakte hem vast en probeerde bij de boot te komen. De stroming was sterk en de boot lag op een paar meter afstand. De haaien bleven op afstand en dat was handig. Het duurde voor mijn gevoel jaren voordat ik de boot bereikt had. Ik hielp de man om aan boord te komen. Ineens voelde ik een snijdende pijn in mijn been. Ik gilde het uit van de pijn. Mijn been werd onder mij in het water aan flarden getrokken. Ik werd meegetrokken naar dieper water. De pijn verdoofde mijn gedachten en het monster dat onder water zat nam mij mee naar dieper water. Ik blies op dat moment mijn laatste adem uit en werd meegevoerd de diepte in.


Voordat ik dit boek lees

Het boek dat ik ga lezen heet ''De redder van Afrika''.
Het is geschreven door Guus Kuijer en heeft iets te maken met Afrika. Ik heb dus nog geen flauw idee waar het over gaat. Op de voorkant van het boek staan een getinte man en vrouw. De man lijkt een beetje op een advocaat in zijn pak. k geloof dat het misschien iets met geschiedenis te maken heeft. Misschien heeft het iets te maken met slavernij. Nu moet ik dus dit boek gaan lezen en daarna zal ik er opdrachten over moeten maken.

maandag 27 januari 2014

Eigen Hoofdstuk


Hoofdstuk: De Mestkever

Nu Erik de wespen had verlaten en op pad was gegaan door het bos van bloemen en planten te doorlopen. Erik was pas net een kwartier onderweg door het bos toen Erik een stem om hulp hoorde roepen. Erik keek om zich heen maar hij zag niks. hij stond net op het punt om verder te lopen toen hij weer het groep om hulp hoorde. Erik keen nog een keer goed om zich geen en daar in de verte zag hij iets groots liggen. Erik zou normaal niet zeker weten of hij daar wel naar toe gegaan zou zijn maar Erik zijn gevoel zij dat hij er zo vlug mogelijk heen moest gaan.

Toen Erik na even rennen aan kwam bij waar de hulp kreet vandaan kwam zag hij daar een reusachtige Mestkever liggen op zijn rug op de grond. Daar stond Erik dan tegenover de enorme Mestkever. Maar Erik was niet zo verbaast dan als hij dit een dag geleden had gezien. Hij was de absurde grote van planten en insecten onderhand al gewend geraakt nu hij door een bos liep met bloemen en planten die voor hem misschien wel acht tot twaalf meter hoog zouden kunnen zijn. Hallo, zei Erik tegen de Mestkever. Ik hoorde U om hulp roepen en vroeg mij af of ik kan helpen.

Oh godzijdank, zij de Mestkever. Ik lig hier al uren op mijn rug en ik kom echt niet meer overeind. Erik had dit wel eens eerder gezien als hij in zijn tuin insecten zat te bekijken dan zag hij een klein Mestkevertje op zijn rug liggen en dan gaf Erik hem altijd een zetje zodat hij weer overeind kon komen en terug kon lopen naar het hoge gras. Maar nu was het heel anders voor Erik. De Mestkever was dit keer wel iets groter dan het topje van zijn vinger. Zeg maar gerust een heel stuk groter. De Mestkever vroeg aan Erik of hij geen hulp kon gaan halen maar Erik legde uit dat hij hier net terecht was gekomen en dat de enige insecten die hij tegen was gekomen nou niet bepaalt vrienden waren geworden. Ah oke, zei de kever. Maar kan je dan asjeblieft iets doen om me hier weg te krijgen Ik houd het echt niet lang meer vol zo!

Erik dacht terug aan wat hij allemaal had geleerd op school en plotseling bedacht hij zich wat hij had geleerd bij natuurkunde. Als je iets heel zwaars hebt kan je dat makkelijker verplaatsen als je een hefboom hebt! Erik liep naar een afgebroken bloem stengel die hij op de grond zag liggen en brak deze in twee delen, een groot en een klein deel. Hij plaatste het kleine deel ongeveer een meter voor de Mestkever en legde het lange gedeelte onder de mestkever zijn rug en op het kleine stukje stengel. Wat gaat je nu doen!? Vroeg de Mestkever aan Erik. Wacht U maar af zij Erik glimlachend. Erik keek nog een keer of alles goed zat en sprong daarna met zijn volle gewicht op het uiteinde van het lange stuk van de stengel. De kever rolde meteen om en stond direct weer op zijn poten. Oh god heel erg bedankt daarvoor jongenman zij de Mestkever. Hoe heb je het eigenlijk voor elkaar gekregen mij totaal in je eentje overeind te krijgen? Met een beetje hulp van mijn school zij Erik glimlachend. De kever dankte Erik een paar keer en vertrok daarna weer snel de verte in.


zondag 26 januari 2014

Het leven van Godfried Bomans

Godfried Boman is geboren op 2 Maart 1913 in Den Haag. Hij was de zoon van Johannes Bernardus Bomans en Arnoldina Josephina Oswalda Reynart en werd vernoemd naar zijn peetoom Godefridus Keunen die getrouwd was met de halfzuster van Bomans moeder.

In 1913 begon zijn vader een advocatenbureau in Haarlem waar hij en de familie naartoe verhuisde. Godfried was toen pas een paar maanden oud en zou zich de rest van zijn leven een Haarlemmer voelen. Later werd zijn vader lid van de tweede kamer voor de Roomsch-Katholieke staatspartij. Dit bleef hij tot 1929. Later was hij ook gedeputeerde van de provincie Noord-Holland en commissaris van de Koningin tot zijn overlijden in 1941.

In zijn middelbare schooltijd had Bomans al literaire belangstelling. Hij was redacteur van verschillende schoolkranten en schreef zelf ook korte verhalen voor tijdschriften en studentenbladen.

In 1926 ging hij naar het Triniteitslyceum in Overveen en later in 1939 studeerde hij af aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1938 tot 1939 was Bomans redacteur van het studentenblad Propia Cures. In 1939 verhuisde hij plots naar Nijmegen, waar hij als student wijbegeerte ging studeren. In 1941 verloofde hij zick met Gertrud Maria Verscheure.

In december 1929 schreef hij zijn bekendste werk genaamd Erik of het klein insectenboek dat werd uitgegeven bij Het Spectrum. In 1941 zou hij voor het eerst sinterklaas spelen in Nijmegen waarmee hij later is doorgegaan op landelijk niveau.

Op 14 april 1944 trouwde hij met zijn verloofde maar vanwege de razzia’s zou het officiële huwelijk worden uitgesteld tot na de oorlog. Uit dit huwelijk kreeg hij een kind genaamd Eva.

Na de oorlog was het hem gelukt om het boek ‘’Pickwick Papers’’ van Charles Dickens te vertalen en kreeg hij de kans om nog veel meer te doen. Zo kreeg hij een baan als redacteur bij de Volkskrant en bij het Elseviers Weekblad. In 1976 werd zijn strip genaamd ‘’Pa Pinkelman’’ gepresenteerd op televisie door de KRO met Ton van Duinhoven in de rol van Pa Pinkelman.

Hij werd pas echt bekend na wat radio- en tv-programma’s waaronder dat van ‘’Bomans in Triplo’’. Ook zou hij programma’s presenteren als ‘’Bomans in Vlaanderen ‘’ en ‘’Bomans in Israël’’. In 1971 mocht hij op uitnodiging van de AVRO en de VARA verblijven op het onbewoonde Waddeneiland Rottumerplaat . Hier vanaf zou hij radio uitzendingen doen onder de titel ‘’Alleen op een eiland’’. Al deze radioverslagen verschenen later in 2006 als luisterboek met maar liefst 6 cd’s.

Zijn carrière als sinterklaas eindigde niet bij die ene keer in Nijmegen. Hij heeft daarna nog sinterklaas gespeeld in Enkhuizen en in Toronto in Canada.

Informatie:

http://nl.wikipedia.org/wiki/Godfried_Bomans

Zelf bedacht voorwoord:

Het is maar een speciaal boek. Bomans heeft het in zijn eigen hoofd bedacht en uit dat eerste idee is een geweldig verhaal ontstaan dat vol zit met fantasie. Bomans heeft iets geleverd dat echt is, maar niet echt kan zijn. Je kijkt namelijk gewoon naar het gedrag van mensen. Erik en het klein insectenboek is een boek vol fantasie. Hij is vol fantasie maar toch heel reeël. De dieren zijn echt mensen, of misschien wel andersom. Misschien zijn wij niet zo menselijk als we nou werkelijk denken.