donderdag 5 maart 2015

Titaantjes



Samenvatting:

Het verhaal gaat over de Titaantjes; Koekebakker, Bekker, Hoyer, Bavink en Ploeger. Ze zijn vaak samen en denken na over het leven, over de rol van God. Ze houden van natuur en vinden de dingen die de meeste mensen als normaal beschouwen, zoals het opgaan van de zon interessant. Waarom gaat de zon dan op, het is ook zo vreemd, de zon is altijd hetzelfde, maar iedere keer anders. Later komen ze tot de conclusie dat het eigenlijk maar saai is, iedere keer herhaalt God hetzelfde, de zon gaat op, de zon valt. De vrienden kunnen zich erg ergeren aan de hogere heren. Het vijftal was altijd van mening, dat de rijke heren, de hoge pieten altijd maar dachten dat ze geslaagd waren in het leven. Maar eigenlijk waren ze dat niet. Ze waren dan wel altijd de baas over de dagindeling van hun werknemers, maar eigenlijk was God de baas. Zoveel betekende die heren nou ook weer niet en als ze niet eens stilstonden bij mooie gedichten of de zon, was je leven dan wel zo geslaagd? Uiteindelijk na al het fantaseren in de natuur, gaat ieder zijn eigen weg. Koekebakker zoekt aan het einde van het verhaal zijn vrienden nog een keer op om te kijken wat er van ze geworden is. Wat er van ze geworden is, zie hoofdpersonen. De vrienden hebben in ieder geval wel afgeleerd om te verlangen naar God. Want uiteindelijk verlang je naar iets, wat er niet is. Je gaat over tot de orde van de dag en het wereldje draait weer verder, dag in, dag uit.

Schrijver:
Nescio is geboren 22 juni 1882 en gestorven op 25 juli 1951 in Amsterdam. Zijn echte naam was Jan Hendrik Frederik Grönloh.

Nescio schreef voornamelijk verhalen. Zijn talent werd niet meteen gewaardeerd. Zo werd het verhaal De uitvreter in 1910 door het tijdschrift Nederland teruggestuurd. In september 1910 stuurde Nescio een uitgebreide versie naar het literaire tijdschrift De Gids. Dit tijdschrift publiceerde het verhaal in januari 1911. Zijn eerste boek, waarin de drie verhalen Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes zijn opgenomen, verscheen in 1918 bij de kunsthandelaar J.H. de Bois, uitgever van de "Haarlemsche kunstboekjes".

Recensies:

-Recesieweb.nl
Er is niets controversieels aan het lezen van Nescio in Amsterdam, niet als Lolita in Teheran. J.H.F. Grönloh was Amsterdammer (‘Goddank’) en zijn romans De Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje (1911, 1915, 1918) hebben iets onschuldigs. Ze stralen een weldadige weemoed uit, een melancholie die je projecteert op de tijd dat deze boeken spelen. Het is een soort oneindige studententijd, met net genoeg te eten (de twee ons boterhammenworst die Koekebakker in De Uitvreter voor morgen bewaarde, was ‘een rijkdom die ik sedert mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden’), nachtelijk rondzwerven door stad en land en ellenlange discussies over God en het socialisme. De sobere, spreektaal benaderende stijl, met archaïsmen en verkleinwoorden als in de boekjes die je op de basisschool las sterkt je in die indruk. Als Japi, de uitvreter, Koekebakkers worst ontdekt: ‘“Kerel,” zei i, “weet je dat je worst in huis hebt?” Of ik ’t wist.’
Hoe zat het ook alweer? Je hoeft de beginzinnen maar te citeren voor herkenning. ‘Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’ De Uitvreter, dat is Japi, een vrolijke nietsnut die geïntroduceerd wordt in de kleine vriendenkring die ook in Titaantjes zal terugkomen. Hij leent je editie van Balzac, eet je worst op, ‘een ordinair volksvoedsel’, en drinkt op je kosten. Hij zwerft wat rond, geniet, doet twaalf ambachten, krijgt een vriendin, maar wordt er niet vrolijker op. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord, stapt hij van de Waalbrug.
‘Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.’ Titaantjes, hemelbestormers waren het, deze jongens, ze werden volwassen, en Koekebakker doet hun verhaal. Van de ‘heele zomernachten’ dat ze ‘tegen ’t hek van ’t Oosterpark stonden te leunen en honderd uit te boomen’. Van lange wandelingen, van discussies waarin niets heel gelaten werd. Zola, ja, Jaap Maris, ja. Ze lazen Dante, Prediker, ’t Hooglied. Ze droomden van een kunstenaarskolonie. En toen kwamen de baantjes, de gezinnen, het verblijf in het buitenland. En Bavink, de schilder, wordt dus mal, snijdt zijn gezicht op Rhenen, zijn magnum opus, in stukken, en belandt in een gesticht. ‘En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft maar, ontvangt z’n schamel loon en geeft geen ergernis.’
Bij Nescio is het kleine aanleiding tot genoegen, de maaltijd, de wandeling, het gesprek over boeken, en grootse ambities worden gerelativeerd in een sobere stijl. En er mag gelachen worden, ook om fatsoenlijke lui en om God. Dat, en de weemoedige afstand waarvan zijn werk doortrokken is, dat wordt nog eens zwaar ingezet bij Dichtertje. Wel is het het de meest tragische van het drietal.
‘Een groot dichter zijn en dan te vallen’ is niet de beginzin van Dichtertje, maar het vat de plot ervan goed samen. Het dichtertje wordt verliefd, hij trouwt, en dan komt er een dichteresje in zijn leven. Het zusje van zijn vrouw, Dora, wordt verliefd op de oudere, getrouwde dichter, de spanning stijgt traag, en dan komt de ontknoping, als zij bij hem aanklopt:
‘“Ee, wat doe je?” Hij zat heel stil op den rand van ’t bed tusschen zijn knieën door naar ’t kleed te staren. Hij stond op: “Dora.” In dat eene woord was alles en ze hoorde ‘t.
Toen vielen ze samen peilloos diep door ’t licht en ze voelden hun lijven als zingende zonnen.’
Het loopt uiteindelijk niet goed af met het dichtertje; ook hij draait door.
Het is geen glorieuze score: twee gekken en een zelfmoord. Welke weldaad? Hoezo weemoed? Nescio was controversieel, zijn verhalen schenen te ‘choqueren; ze gooien alle conventie over boord en lachen met wat voor velen heilig is’. Dat kun je je in deze tijden niet meer voorstellen. Maar het staat er wel, er is ellende.
Misschien maakt de tragedie de komedie draaglijker, ik weet het niet, misschien is dat wel de kwaliteit van Nescio, dat hij niet terugdeinst voor de lach en de traan, maar het met zijn sobere stijl meteen weer relativeert, een weemoedige, niet-oordelende afstand creëert. Dat is uniek in de Nederlandse literatuur, maar hij had het niet van een vreemde. ‘Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is.’ En in het eerste hoofdstuk van het bijbelboek: ‘Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon? Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid. Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.’ Nescio las Prediker, wij lezen Nescio.

-NRC
AANRADER: De uitvreter (1911) / Titaantjes (1915) / Dichtertje (1918)
Steevast verzameld in één bundel (meestal met de verwante fragmentenverzameling Mene Tekel, 1935), behoren deze drie novellen tot het mooiste dat de Nederlandse literatuur te bieden heeft. Dat mag al blijken uit de openingszinnen. Zo begint De uitvreter, het verhaal van de non-conformist Japi en zijn kunstenaarsvrienden Bavink en Koekebakker, met de gedenkwaardige mededeling 'Behalve de man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan de uitvreter'; terwijl Titaantjes, over vijf wereldverbeteraars die eindigen als burgermannen, inzet met de veelgeciteerde uitspraak 'Jongens waren we -- maar aardige jongens.' De tragisch-ironische kunstenaarsbiografie Dichtertje bewaart de mooiste zinnen dan weer voor het begin van hoofdstuk III: 'Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als je een dichtertje bent, dan lopen de mooiste meisjes altijd aan de overkant van de gracht.' Het oeuvre van Nescio is een schatkamer vol prozaparels en -juwelen, maar het is meer dan dat. De uitvreter is zowel een melancholieke afrekening met het ongebonden leven als een ode aan de natuur, van het Veerse Meer tot de Nijmeegse Waalbrug; Titaantjes en Dichtertje zijn te lezen als nostalgische analyses van jeugdig idealisme én als een zoektocht naar God en het doel van het leven. Overigens zijn ook de slotzinnen van Nescio niet mis. Wat te denken van: 'Zij die God werkelijk lief heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde' (Dichtertje)? Of, nog mooier, de wijze les aan het eind van Titaantjes? 'En zo gaat alles z'n gangetje, en wee hem die vraagt: ''Waarom?'''

Mijn recensie:

Een mooi boek dat gaat over mensen die goed met elkaar kunnen opschieten en met elkaar praten over de simpele dingen uit het leven. Ook gaat het over de idealen van ze en wat er allemaal van terecht komt. Het zijn eigenlijk best simpele mensen en zo heeft Nescio het ook bedoeld. Een mooi boek waarvan ik heb kunnen genieten ook al was het niet echt een boek dat ik uit mezelf zou gaan lezen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten